Tentoonstelling ‘In je hemd’

Over onderkleding

locatie
Museum ‘t Stadhuus, Hardenberg

In de eerste plaats een verzameling historisch ondergoed uit de collecties van ons museum. Soms met grote vraagtekens, soms nog heel herkenbaar. U ziet mannen- en vrouwen-onderkleding voor mensen die hard op het land in weer en wind moesten werken en voor de gegoede burgers.

In de vitrines is het ondergoed grofweg gerangschikt naar het materiaal waar het van gemaakt is: In VITRINE 1 iis linnen het onderwerp. Het zelf verbouwde vlas werd verwerkt tot linnenvezels, die vervolgens op het spinnewiel werden gesponnen tot linnen garens. Deze garens werden gebruikt voor het weven van linnen. Opgerold sierden de linnen lappen de kabinetten van de vrouwen: hoe meer rollen je bezat, hoe meer aanzien. O0k werd linnen gebruikt voor het weven van de bekende streeprokken: half wol, half linnen.

Deze streeprokken hadden in Hardenberg de kleuren zwart en wit: elke familie had zijn eigen streeppatroon. Verder zijn in deze vitrine corsetten en Bh’s te vinden : de smalle corsetten van flanel zijn taille corsetten voor de slanke-taillemode( zie plaat rechts van de ingang)

VITRINE 2 heeft als uitgangspunt wol. De wol van eigen schapen werd gesponnen en geverfd. Vervolgens werden er hemden en broeken en kousen van gebreid. De werkstukken liggen en hangen op diverse plaatsen in de zaal.

De ontwikkelingen gingen verder. In fabrieken konden veeldunnere garens gesponnen worden. Ook het breiproces onderging verandering. Breimachines werden uitgevonden met als gevolg dat er dunnere stoffen op de markt kwamen met dezelfde goede eigenschappen van zelfgesponnen wol. Alleen veel minder kriebelig.

VITRINE 3 heeft katoen en kunstvezels als onderwerp. U ziet de katoenplant. Katoen kan verwerkt worden tot elastische draden waar machinaal mee gebreid kan worden, de zg. tricots. Het kan ook geweven worden . Afhankelijk van de draaddikte ontstaat lakenkatoen, lingeriekatoen en batist. Stof van geruwde katoen heet flanel. U ziet in deze vitrine de ontwikkeling van ondergoed in vorm, stof en kleur.

Ondergoed heeft een hele ontwikkeling doorgemaakt: alles begon met een zelfgemaakt HEMD. Dat hemd was lang en voorzien van slippen en mouwen. De hals werd afgewerkt met een kunstig gemaakte versteviging tegen inscheuren: het moezetrappie of het luizenrek. Onderbroeken werden nog niet gedragen: de flappen van het hemd werden gewoon tussen de benen doorgeslagen en daaroverheen ging bij de mannen de overbroek. Vrouwen droegen op het platteland tot in de twintiger jaren van de vorige eeuw geen onderbroeken.